|
Jean Piaget 1896 - 1980
In de ontwikkeling van het denken onderscheidt Piaget vier fasen die elk kind doorloopt.
- Sensomotorische fase
Het kind is in staat onderscheid te maken tussen zichzelf en voorwerpen. hetzelfde voorwerp in een ander positie is voor hem een ander voorwerp. Later in deze fase blijft het voorwerp wel hetzelfde. Begrip is enkel af te leiden uit handelingen die het kind verricht.
- Pré-operationele fase
Het kind denkt egocentrisch, het kan dingen uitsluitend beoordelen vanuit de eigen positie. Onderscheid wordt gemaakt op grond van één criterium. Ia A in één opzicht gelijk aan B dan is het ook in andere opzichten gelijk. Later in deze fase leert het kind classificeren en werken met aantallen. Het begrip is intuitïef.
- Concrete fase
Het kind kan voorwerpen hierarchisch ordenen. De relatie oorzaak en gevolg is gekoppeld aan concreet materiaal.
- Formele fase
In deze fase wordt het begrip losgekoppeld van de materie. Het kind kan abstract redeneren. Het kan hypotheses opstellen en controleren. Tenslotte kan het denken op basis van wetten en stellingen.
Onderwijs De theorie van Piaget heeft consequenties voor het onderwijs. De leeftijd waarop de formele fase wordt bereikt is niet voor iedereen gelijk. Wil het onderwijs zinvol zijn dan dan moet het aansluiten bij het abstractieniveau van de leerling. Met name in de leeftijdsgroep van 11 tot 14 jaar heeft een belangrijk deel van de kinderen de formele fase niet bereikt.
Voor leerlingen die de formele fase wel hebben bereikt geeft de theorie ook aan hoe nieuwe begrippen geintroduceerd moeten worden: Abstracties moeten voortvloeien uit concrete ervaringen.
Denkers met een verwantschap:
|